U bevindt zich op: Ontdek gemeente Haaren / Historie
Bij een gemeentelijke herindeling in 1996 ontstond de nieuwe gemeente Haaren door samenvoeging van de gemeenten Esch, Haaren en Helvoirt. In 1997 kwam het dorp Biezenmortel daar bij.
Elk dorp kent zijn eigen verleden. Op deze pagina kunt u daar meer over lezen. Heeft u na het lezen van deze pagina nog meer vragen over de geschiedenis van Haaren kijk dan op www.bhic.nl
Elk dorp kent zijn eigen verleden. Op deze pagina kunt u daar meer over lezen. Heeft u na het lezen van deze pagina nog meer vragen over de geschiedenis van Haaren kijk dan op www.bhic.nl
Biezenmortel
Historie Biezenmortel
Tot 1 januari 1997 was Biezenmortel een onderdeel van de gemeente Udenhout, sedert de herindeling een van de vier dorpen van de nieuwe gemeente Haaren. De naam Biezenmortel, staat voor een met biezen begroeid moerassig gebied. Mortel is afgeleid van moer of moeras, vaak natte drassige grond.
Den Biezenmortel wordt al vanaf 1315 vermeld in aktes en bestond uit verschillende buurtschappen
waarvan 't Winkel de oudst bekende is, en verder 't Hooghout, 't Gommelen, Biesmortel, Brabants Hoek, Scheurenhoeve en Zandkant.
Al sinds eeuwen was het een onderdeel van Udenhout. Het bos van Udenhout wordt door de hertog van Brabant al in 1232 geschonken aan de Norbertijnen van Tongerlo. Paus Gregorius IX bevestigde dit met een loden zegel, dat nog altijd bewaard wordt aan de perkamenten oorkonde in het archief van de Abdij van Tongerlo.
Het dorp was een van de delen van Udenhout en zijn burgemeester zorgde dat ook dit deel penningen bijdroeg aan de kas van het dorp. In 1810 werd Udenhout een zelfstandige gemeente.
Jan Andries van den Bosch werd de eerste maire, het Franse woord voor burgemeester.
Biezenmortel was een deel van Udenhout, van de gemeente, maar ook van de parochie.
Dit veranderde in 1920 toen de Capucijnen een kerk, een klooster en een school bouwden. Pas in 1981 werd Biezenmortel een zelfstandige parochie.
Biezenmortel kreeg eerst een eigen kern vanaf 1920. Het buitengebied met een oppervlak van 896 ha is zeer groot en heeft vele mooie boerderijen. In de ontstane dorpskern in de Capucijnenstraat ontstonden rond het klooster, de kerk en de school aan weerszijden van de straat twee nieuwe wijken.
Bij 't Hooghout is sedert 1904 het grote complex voor verstandelijk gehandicapten gevestigd, eerst onder de naam "Huize Assisië" en momenteel "Prisma" geheten.
De groei van Biezenmortel is voor een groot deel hieraan te danken.
Bossen, Giersbergsesteeg, Leemputten, landerijen en mooie natuur, de omgeving van de Leye langs de Oude Bosse Baan, de duinen met veel fraai landschap en natuurschoon vormen echter nog altijd de aantrekkelijkheid. Voor velen van de 1515 inwoners een fijne plek om te wonen en te vertoeven.
Tot 1 januari 1997 was Biezenmortel een onderdeel van de gemeente Udenhout, sedert de herindeling een van de vier dorpen van de nieuwe gemeente Haaren. De naam Biezenmortel, staat voor een met biezen begroeid moerassig gebied. Mortel is afgeleid van moer of moeras, vaak natte drassige grond.
Den Biezenmortel wordt al vanaf 1315 vermeld in aktes en bestond uit verschillende buurtschappen
waarvan 't Winkel de oudst bekende is, en verder 't Hooghout, 't Gommelen, Biesmortel, Brabants Hoek, Scheurenhoeve en Zandkant.
Al sinds eeuwen was het een onderdeel van Udenhout. Het bos van Udenhout wordt door de hertog van Brabant al in 1232 geschonken aan de Norbertijnen van Tongerlo. Paus Gregorius IX bevestigde dit met een loden zegel, dat nog altijd bewaard wordt aan de perkamenten oorkonde in het archief van de Abdij van Tongerlo.
Het dorp was een van de delen van Udenhout en zijn burgemeester zorgde dat ook dit deel penningen bijdroeg aan de kas van het dorp. In 1810 werd Udenhout een zelfstandige gemeente.
Jan Andries van den Bosch werd de eerste maire, het Franse woord voor burgemeester.
Biezenmortel was een deel van Udenhout, van de gemeente, maar ook van de parochie.
Dit veranderde in 1920 toen de Capucijnen een kerk, een klooster en een school bouwden. Pas in 1981 werd Biezenmortel een zelfstandige parochie.
Biezenmortel kreeg eerst een eigen kern vanaf 1920. Het buitengebied met een oppervlak van 896 ha is zeer groot en heeft vele mooie boerderijen. In de ontstane dorpskern in de Capucijnenstraat ontstonden rond het klooster, de kerk en de school aan weerszijden van de straat twee nieuwe wijken.
Bij 't Hooghout is sedert 1904 het grote complex voor verstandelijk gehandicapten gevestigd, eerst onder de naam "Huize Assisië" en momenteel "Prisma" geheten.
De groei van Biezenmortel is voor een groot deel hieraan te danken.
Bossen, Giersbergsesteeg, Leemputten, landerijen en mooie natuur, de omgeving van de Leye langs de Oude Bosse Baan, de duinen met veel fraai landschap en natuurschoon vormen echter nog altijd de aantrekkelijkheid. Voor velen van de 1515 inwoners een fijne plek om te wonen en te vertoeven.
Esch
Historie Esch
De naam Esch moet zijn afgeleid van de boomsoort van deze naam. Dat er al vroeg bewoning was, blijkt uit opgravingen tussen 1950 en 1961. Er werden in die periode diverse tumulus-graven blootgelegd uit de Romeinse tijd. ( 60 - 270 na Chr.) In het zogenaamde "graf van de rijke dame" vond men het barnstenen beeldje van de God Bacchus. Een vergrote kopie van dit beeld
heeft een plaats gekregen op de Essche Bierpomp. Dat er reeds vroeg een verbindingsweg was tussen Belveren en Esch, bleek uit de (Romeinse) veenbrug die dicht bij de plaats van de opgravingen ontdekt werd door studenten van de Landbouwhogeschool te Wageningen onder leiding van prof. dr. Edelman.
In 773 - 774 schonk een zekere Neveling vier hoeven in het dorp Hesc aan de
Abdij van Echternach. Dit vormde het begin van een tot aan de Franse Tijd durend hecht contact met deze Luxemburgse Abdij. De band met Echternach vond eveneens uitdrukking in het schepenzegel dat het randschrift droeg: "Schepenen des dorps van St. Willibrord".
St. Willibrordus is ook nu nog de patroon van het gilde, de fanfare, de basisschool en de Essche parochie die reeds in de dertiende eeuw bestond.
Kort na 1300 bevestigde de hertog van Brabant de uitgifte van de gemeente - de heide - aan de ingezetenen van Esch. In 1491 stichtte Maarten van Elmpt en zijn vrouw Ida Roeters op hun goed "Emerhorst" een tehuis voor zes oude mannen. Het Mannengasthuis is thans in bezit van de gemeente Haaren. In 1543 werd het dorp platgebrand door Maarten van Rossum omdat het dorp de 200 gulden van de brandschatting niet kon betalen.
De zeventiende en achttiende eeuw waren voor Esch een periode van teruggang en armoede. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw toen de belastingdruk afnam en nieuwe bemestingsmethoden en ontginningen werden toegepast, kwam er een geleidelijke opleving die zich daarna heeft doorgezet.
De naam Esch moet zijn afgeleid van de boomsoort van deze naam. Dat er al vroeg bewoning was, blijkt uit opgravingen tussen 1950 en 1961. Er werden in die periode diverse tumulus-graven blootgelegd uit de Romeinse tijd. ( 60 - 270 na Chr.) In het zogenaamde "graf van de rijke dame" vond men het barnstenen beeldje van de God Bacchus. Een vergrote kopie van dit beeld
heeft een plaats gekregen op de Essche Bierpomp. Dat er reeds vroeg een verbindingsweg was tussen Belveren en Esch, bleek uit de (Romeinse) veenbrug die dicht bij de plaats van de opgravingen ontdekt werd door studenten van de Landbouwhogeschool te Wageningen onder leiding van prof. dr. Edelman.
In 773 - 774 schonk een zekere Neveling vier hoeven in het dorp Hesc aan de
Abdij van Echternach. Dit vormde het begin van een tot aan de Franse Tijd durend hecht contact met deze Luxemburgse Abdij. De band met Echternach vond eveneens uitdrukking in het schepenzegel dat het randschrift droeg: "Schepenen des dorps van St. Willibrord".
St. Willibrordus is ook nu nog de patroon van het gilde, de fanfare, de basisschool en de Essche parochie die reeds in de dertiende eeuw bestond.
Kort na 1300 bevestigde de hertog van Brabant de uitgifte van de gemeente - de heide - aan de ingezetenen van Esch. In 1491 stichtte Maarten van Elmpt en zijn vrouw Ida Roeters op hun goed "Emerhorst" een tehuis voor zes oude mannen. Het Mannengasthuis is thans in bezit van de gemeente Haaren. In 1543 werd het dorp platgebrand door Maarten van Rossum omdat het dorp de 200 gulden van de brandschatting niet kon betalen.
De zeventiende en achttiende eeuw waren voor Esch een periode van teruggang en armoede. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw toen de belastingdruk afnam en nieuwe bemestingsmethoden en ontginningen werden toegepast, kwam er een geleidelijke opleving die zich daarna heeft doorgezet.
Haaren
Historie Haaren
Haaren is een oud boerendorp met als oudste kern, wat vondsten uit de prehistorie en de Romeinse Tijd betreft, de buurtschap Belveren. Behalve de kom, die met de kerk en het raadhuis werd verplaatst, bestaat het dorp uit de buurtschap Belveren en de omliggende gehuchten en nederzettingen de Noenes, de Voort, Heesakker, Eind, Gever, Kerkeind, Holleneind en de Raam.
Al deze buurtschappen hebben overwegend een langgerekt patroon, liggend aan diverse beeklopen, zoals de Raamse Loop, de Kempenloop, de Ruybosche Waterloop, het Elsbroeks Waterloopje en de Essche Stroom, als uitloper van de Leij. Aan de noordoostkant is het beekdal van de Oude Leij gelegen.
Een aparte plaats neemt het landgoed de Nemerlaer in, waar doorheen de gekanaliseerde Essche Stroom loopt, en met de parkachtige aanleg rondom het kasteel. Het wordt beschouwd als een natuurgebied, een waardevol reservaat met bijzondere plant- en diersoorten.
Haaren is wel eens een tiendakkerdorp genoemd, bestaande uit de centraal gelegen kerk met daaromheen de gehuchtenkrans. In de 12 de eeuw kreeg het dorp reeds een eigen bedehuis en in de 14 de eeuw een kapel op de Belverse Akkers. Van de oude kerk is alleen de toren uit 1472 met de fundamenten van het schip overgebleven. Toen deze kerk omstreeks 1648 gesloten moest worden werd veel later in Belveren een schuurkerk gebouwd. Voor de Waterstaatskerk uit 1855 aan de Kerkstraat, die door brand werd verwoest, kwam in 1913 de neogotische St. Lambertuskerk in de plaats.
Verspreid over het gebied staan nog verschillende vrij gaaf bewaard gebleven boerderijen, enkele uit de 17 de en 18 de eeuw.
De meeste stammen uit de 19 de en begin twintigste eeuw. Daarnaast zijn er diverse fraaie dorpswoonhuizen uit de 18 de en 19 de eeuw overgebleven.
Haaren werd ook bekend als de vestigingsplaats van het Groot-Seminarie van het Bisdom uit 1839, dat in de Tweede Wereldoorlog berucht werd als Polizeigefängnis en gijzelaarskamp; van het bisschoppelijk paleis uit 1853 voor mgr. Zwijsen, en om zijn vele boomkwekerijen, waardoor het dorp het predikaat "Tuin van Brabant" kreeg.
Haaren is een oud boerendorp met als oudste kern, wat vondsten uit de prehistorie en de Romeinse Tijd betreft, de buurtschap Belveren. Behalve de kom, die met de kerk en het raadhuis werd verplaatst, bestaat het dorp uit de buurtschap Belveren en de omliggende gehuchten en nederzettingen de Noenes, de Voort, Heesakker, Eind, Gever, Kerkeind, Holleneind en de Raam.
Al deze buurtschappen hebben overwegend een langgerekt patroon, liggend aan diverse beeklopen, zoals de Raamse Loop, de Kempenloop, de Ruybosche Waterloop, het Elsbroeks Waterloopje en de Essche Stroom, als uitloper van de Leij. Aan de noordoostkant is het beekdal van de Oude Leij gelegen.
Een aparte plaats neemt het landgoed de Nemerlaer in, waar doorheen de gekanaliseerde Essche Stroom loopt, en met de parkachtige aanleg rondom het kasteel. Het wordt beschouwd als een natuurgebied, een waardevol reservaat met bijzondere plant- en diersoorten.
Haaren is wel eens een tiendakkerdorp genoemd, bestaande uit de centraal gelegen kerk met daaromheen de gehuchtenkrans. In de 12 de eeuw kreeg het dorp reeds een eigen bedehuis en in de 14 de eeuw een kapel op de Belverse Akkers. Van de oude kerk is alleen de toren uit 1472 met de fundamenten van het schip overgebleven. Toen deze kerk omstreeks 1648 gesloten moest worden werd veel later in Belveren een schuurkerk gebouwd. Voor de Waterstaatskerk uit 1855 aan de Kerkstraat, die door brand werd verwoest, kwam in 1913 de neogotische St. Lambertuskerk in de plaats.
Verspreid over het gebied staan nog verschillende vrij gaaf bewaard gebleven boerderijen, enkele uit de 17 de en 18 de eeuw.
De meeste stammen uit de 19 de en begin twintigste eeuw. Daarnaast zijn er diverse fraaie dorpswoonhuizen uit de 18 de en 19 de eeuw overgebleven.
Haaren werd ook bekend als de vestigingsplaats van het Groot-Seminarie van het Bisdom uit 1839, dat in de Tweede Wereldoorlog berucht werd als Polizeigefängnis en gijzelaarskamp; van het bisschoppelijk paleis uit 1853 voor mgr. Zwijsen, en om zijn vele boomkwekerijen, waardoor het dorp het predikaat "Tuin van Brabant" kreeg.
Helvoirt
Historie Helvoirt
Helvoirt is ontstaan uit beekdalnederzettingen, gelegen op de hogere gronden langs Zandleij, Broekleij en Raamse Loop. Waar zich leemlagen in de grond bevonden, kon het water moeilijk wegzakken en ontwikkelden zich ondiepe vennen met een vegetatie van eiken, beuken en essen (Brokkenbroek).
De nederzettingen groeiden daaromheen uit tot een dorp dat bestaat uit een aantal gehuchten en buurtschappen, te weten: Molenstraat, Achterstraat, Voorste- en Achterste Distelberg, Heikant, Zandkant, Laar, Helvoirtsestraat, Hoef ten Halve, Gijzel en Raam. De dorpskern lag op 't Eind, het huidige kruispunt met de N65 en daar kwamen de wegen samen. De naam Helvoirt zou afgeleid zijn van "hel ", een woest moerassig gebied, met daar doorheen een "voirt ", een doorwaadbare doorgang. Voor het eerst komt de naam " Hellevorth " voor in een akte uit 1192, waarin Giselberth Heer van Tilburg en zijn moeder Alaysa, onder wier bestuur Helvoirt toen stond, een deel van de tiendopbrengsten bestemden voor de bouw van een kapel.
Deze kapel stond op de plaats van de huidige, daarop teruggaande "Oude Kerk" aan de Torenstraat. In 1296 werd deze als parochiekerk toegewijd aan de H. Nicolaas. Zijn beeltenis is opgenomen in het gemeentewapen daterend uit 1816.
Een versterkte boerderij de "Mansus Zwensberch" is in de 15de eeuw de basis van het eerste Kasteel Zwijnsbergen geworden. De aanwezigheid van dit kasteel en zijn bewoners heeft in de volgende eeuwen zowel bestuurlijk als cultureel een belangrijke invloed gehad op de dorpsontwikkeling en de bevolkingssamenstelling. Evenzo geldt dat voor de gevolgen van de Reformatie, waardoor een tweede kerkelijke gezindte zich in Helvoirt vestigde. Een van de verlichte ideeën van de Franse Revolutie - scheiding tussen kerk en staat - viel in de tijd samen met de bouw van het gemeentehuis (1792). De industriële revolutie betekende op talloze terreinen vernieuwing en verbetering van het dagelijks leven. Helvoirt werd via wegen en een spoorlijn ontsloten. Er kwamen verbeterde landbouwmethoden en kunstmest. De boerenstand organiseerde zich. Onderwijs werd voor eenieder toegankelijk. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Helvoirt zich tot een dynamisch dorp waar het voor eenieder goed toeven is.
Helvoirt is ontstaan uit beekdalnederzettingen, gelegen op de hogere gronden langs Zandleij, Broekleij en Raamse Loop. Waar zich leemlagen in de grond bevonden, kon het water moeilijk wegzakken en ontwikkelden zich ondiepe vennen met een vegetatie van eiken, beuken en essen (Brokkenbroek).
De nederzettingen groeiden daaromheen uit tot een dorp dat bestaat uit een aantal gehuchten en buurtschappen, te weten: Molenstraat, Achterstraat, Voorste- en Achterste Distelberg, Heikant, Zandkant, Laar, Helvoirtsestraat, Hoef ten Halve, Gijzel en Raam. De dorpskern lag op 't Eind, het huidige kruispunt met de N65 en daar kwamen de wegen samen. De naam Helvoirt zou afgeleid zijn van "hel ", een woest moerassig gebied, met daar doorheen een "voirt ", een doorwaadbare doorgang. Voor het eerst komt de naam " Hellevorth " voor in een akte uit 1192, waarin Giselberth Heer van Tilburg en zijn moeder Alaysa, onder wier bestuur Helvoirt toen stond, een deel van de tiendopbrengsten bestemden voor de bouw van een kapel.
Deze kapel stond op de plaats van de huidige, daarop teruggaande "Oude Kerk" aan de Torenstraat. In 1296 werd deze als parochiekerk toegewijd aan de H. Nicolaas. Zijn beeltenis is opgenomen in het gemeentewapen daterend uit 1816.
Een versterkte boerderij de "Mansus Zwensberch" is in de 15de eeuw de basis van het eerste Kasteel Zwijnsbergen geworden. De aanwezigheid van dit kasteel en zijn bewoners heeft in de volgende eeuwen zowel bestuurlijk als cultureel een belangrijke invloed gehad op de dorpsontwikkeling en de bevolkingssamenstelling. Evenzo geldt dat voor de gevolgen van de Reformatie, waardoor een tweede kerkelijke gezindte zich in Helvoirt vestigde. Een van de verlichte ideeën van de Franse Revolutie - scheiding tussen kerk en staat - viel in de tijd samen met de bouw van het gemeentehuis (1792). De industriële revolutie betekende op talloze terreinen vernieuwing en verbetering van het dagelijks leven. Helvoirt werd via wegen en een spoorlijn ontsloten. Er kwamen verbeterde landbouwmethoden en kunstmest. De boerenstand organiseerde zich. Onderwijs werd voor eenieder toegankelijk. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Helvoirt zich tot een dynamisch dorp waar het voor eenieder goed toeven is.
